01 okt Moederliefde
Verschenen in Sfinx;
Tijdschrift voor persoonlijke en sociale vernieuwing
Jaargang 2001, nummer 4
Hoogzomer. Ik ben neergestreken op een Amsterdams terras. Met mij vele anderen, onder wie jonge gezinnen met hun eerste kind. Dat het hun eerste is, kun je goed zien aan de manier waarop de vader en moeder met het kind omgaan. Ze zijn nog overzichtelijk met hun drietjes. De taken efficiënt verdeeld. De ouders bekommeren zich niet allebei tegelijk over hun kind, maar een voor een. Hij leest snel een katern uit de zaterdagse krant terwijl zij een en al aandacht is en zorgt dat hun kind niet van de bank glijdt. Na een kwartier wisselen ze van plaats en kan zij onbekommerd met de ogen gesloten genieten van de zon. Ik mag er graag naar kijken, hoe vaders en moeders voor hun kinderen zorgen. En ik let stiekem vanachter mijn eigen krant een beetje mee op dat het kind niet kan vallen. Ik heb dat ook in de supermarkt. Kijken naar ouders en kinderen. Zeker als het druk is en ik een poos in de rij voor de kassa sta te wachten. Dan dreigt opeens een kind in het boodschappen-wagentje naast mij met een uitstekende arm knel te komen zitten in het smalle gangpad tussen de kassa’s. Net op tijd wordt de moeder gewaarschuwd en de kinderarm wordt gered. Ik vraag me af waarom die moeder de gevaarlijke situatie zelf niet opmerkte. Maar het kind gaat er zo te zien heel ontspannen van uit dat er iemand is die hem beschermt.
Ik herinner me dat ik een keer in een park zat met mijn nichtje van vier. Tegenover ons zat een moeder met drie jonge kinderen, waaronder een meisje van dezelfde leeftijd als mijn nichtje. Je kon zien dat het meisje graag in haar moeders buurt wilde zijn. Maar ze werd keer op keer door haar moeder van zich afgeduwd. Opeens riep de vrouw vrij hard ‘wat ben je toch een dom kind’. Het meisje leek even ontmoedigd, maar ging daarna toch weer op haar moeder af. Een pijnlijk tafereel. Moeder Natuur in optima forma. Een kind dat zich heeft gehecht aan haar moeder en probeert dicht bij haar te blijven voor bescherming. En misschien ook om te voorkomen dat de moeder zich terugtrekt, haar veronachtzaamd of zelfs volledige verlaat. Baby’s worden immers geboren met de vaste wil om de zorg van hun moeders te krijgen en te behouden. Mijn keel kneep ervan samen, ik zat als aan de grond genageld en voelde hoe mijn hart bonkte. Mijn nichtje van vier, die het tafereel ook had staan bekijken was een paar stappen dichterbij komen staan. Ik voelde behoefte om haar te omarmen en op mijn schoot te trekken. Alsof ik daarmee het andere meisje kon troosten. ‘Ik moet plassen’ zei ze en creëerde daarmee voor ons allebei een escape uit de situatie. Zulke voorvallen bleven soms dagen bij mij hangen. Net als de verhalen in de krant over verwaarloosde dieren of de boeken die ik las over misbruikte kinderen.
Mater dolorosa
In die boeken kon ik mijn verontwaardiging kwijt over de onveiligheid waarin andere kinderen soms opgroeiden. Dat er kennelijk niemand was die hen steunde en voor hen zorgde. Het was achteraf gezien een vernuftige manier van mijn geest om mij ervan te weerhouden om mijn eigen kinderpijn onder ogen te zien. Het heeft me dan ook vele jaren gekost voor ik me emotioneel durfde over te geven aan mijn als kind ervaren gevoelens van onveiligheid. Dat mijn moeder was overleden toen ik dertien jaar was, voelde niet als onveiligheid. Mijn vader zorgde immers dat er gezinsverzorgsters kwamen. Ik was met mijn broers al langer gewend aan een zieke moeder. Hoe vaak had ik in mijn jeugdjaren niet gelogeerd bij tantes als mamma weer naar het ziekenhuis moest. Mijn beeld over haar was dat van een lijdende moeder, ik voelde medelijden met haar, en vond het zielig dat ze zoveel pijn leed. Op haar laatste foto ziet ze er uit als een bedroefde moeder, een mater dolorosa die niet in staat is om haar kinderen nog langer te verzorgen. Net Maria, die onder het kruis treurt om haar kind Jezus. Zij was zielig, niet ik. Op school kwam ik als ‘leerling-zonder-moeder’ juist extra in de belangstelling te staan van leraren en klasgenoten. Ik voelde me er wel een beetje stoer door. Dat stoere ging er af toen mijn vader’s tweede vrouw kort na hun huwelijk overleed door een auto-ongeval. Ik herinner me een vaag soort paniek, een gevoel van verdoving. Alsof ik oordoppen in had en alleen het suizen van het bloed in mijn aderen hoorde. Ik had haar in het ziekenhuis gezien met een beademingsslang in haar luchtpijp. Opnieuw een lijdende moeder in coma, ik wist instinctief dat ik op haar niet meer hoefde te rekenen. Maar het leven ging verder. Er kwamen zorgende familieleden en uiteindelijk trouwde mijn vader voor de derde keer. Hij vond het van groot belang dat er voor ons kinderen weer een normaal familieleven kon worden opgebouwd. Hij ging daar bijna doelgericht mee om. Hij regelde die dingen gewoon naar mijn gevoel.
Mater amabilis
Zelf heb ik er als jonge vrouw lang onbewust het gevoel aan overgehouden dat je van vrouwen niet op aan kon. Dat je er niks aan had, ook niet om mee samen te werken. Dat ze op een bepaald moment, als het er op aan kwam, zouden afhaken. Die onbewuste overtuigingen hebben mijn ontwikkelingsproces naar vrouw zijn mede beïnvloed. Ik kreeg zelf geen kinderen en kon mij niet inleven in de rol van mater amabilis, de liefdevolle moeder. Ook weet ik nu soms nog steeds niet goed hoe dat moet: ‘vrouw zijn’. Als ik precies voel wat ik op een bepaald moment nodig heb, of weet waar ik naar verlang kan ik heel goed voor mezelf opkomen. Maar ik heb het soms niet helder, dan weet ik niet wat er aan de hand is en voel ik weer een vaag soort paniek. De paniek van onveilig-heid, die ik ook als kind had. Dan verlang ik naar iemand die me het gevoel van veiligheid kan geven, voor mijn part een pater- amabilis.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.